Shop
Veelgestelde vragen

    Hoe wordt een valdempende ondergrond in het laboratorium en op locatie beproefd?

    NEN-EN 1177 kent twee beproevingsmethoden voor een valdempende ondergrond, een laboratoriumbeproeving en een beproeving op locatie. De laboratoriumbeproeving bepaalt de kritische valhoogte van een systeem. De beproeving op locatie controleert op geselecteerde punten of een aangelegd oppervlak de vrije valhoogte van het aanwezige speeltoestel afdekt.


    Bij de laboratoriumbeproeving liggen proefstukken met een gezamenlijke oppervlakte van ten minste één vierkante meter op een vlakke, stijve betonnen ondergrond. Losse stortlagen, zoals valdempzand, valdempgrind of houtsnippers, worden in de beoogde laagdikte aangebracht. Valdempende tegels worden zo gelegd dat ook de voegen worden beproefd. Een halfbolvormige proefkop van 4,6 kg met een diameter van circa 16 cm en een ingebouwde versnellingsopnemer valt vanuit verschillende hoogten op de ondergrond. Voor tegels zijn minimaal negen valproeven vanuit minimaal vier hoogten op afzonderlijke plaatsen met 25 cm tussenruimte nodig. Bij losse stortlagen volgen per hoogte drie inslagen op dezelfde plaats. De beproeving gebeurt bij 23 graden Celsius, met een toegestane afwijking van maximaal vijf graden.


    De beoordeling in het laboratorium berust op de HIC-waarde als criterium voor hoofdletsel en op de piekversnelling gmax. De kritische valhoogte is de hoogte waarop HIC 1000 of gmax 200 g wordt bereikt. De laagste van beide waarden is bepalend en wordt door interpolatie van de meetreeks vastgesteld. Het testrapport vermeldt de kritische valhoogte in meters met twee decimalen en de meetonzekerheid van het testlaboratorium. De uitkomst geldt uitsluitend voor de beproefde opbouw van tegeltype, dikte en verbinding en bij meerlagige systemen voor de volledige lagenopbouw. De proefondergrond is de stijve laboratoriumondergrond en niet de opbouw op de bouwlocatie.


    De beproeving op locatie richt zich op de toestand van de aangelegde valdempende ondergrond. De proefvalhoogte moet ten minste gelijk zijn aan de vrije valhoogte van het speeltoestel volgens NEN-EN 1176. Metingen vinden plaats op de ongunstigste punten, bijvoorbeeld waar slijtage zichtbaar is of de laagdikte het geringst is, en op andere representatieve punten. Het aantal meetpunten hangt af van de omvang van de opvangzone, waarvoor de norm een minimumaantal voorschrijft. Deze methode geldt alleen voor de beproefde punten en bepaalt geen kritische valhoogte.